Ik frunnik de rits van mijn jaszak open. Het slordig opgevouwen recept voor nog meer medicijnen, frommel ik erin weg. Ik wil de neuroloog een hand geven maar halverwege zit er niet meer in dan een trillend wuifgebaar. Een haperende high five. Hij richt zich al tot de volgende patiënt. Hij kon niets anders bedenken dan een nieuwe cocktail van pillen.

Bij de apotheek in de wachtrij schiet me iets te binnen. Als jongetje van negen vreesde ik dat ik mijn linkerhand ineens kon verliezen. Misschien had ik een te levensechte 

film gezien waarin piraten met vlijmscherpe zwaarden ledematen afhieuwen. Of ik had gewoon een te levendige fantasie. Een ding stond vast: ik moest me voorbereiden. Omdat ik alles met links deed, moest ik mijn rechterhand trainen. Het belangrijkste was schrijven. Een hele woensdagmiddag lang oefende ik. IJverig pende ik schriften vol letters. Ver kwam ik niet. De ‘e’ bleef verdacht veel lijken op een ‘a’. Leren schrijven met rechts bleek niet makkelijk. Het was beter om piraten te mijden.

Jarenlang ging me dat prima af. Ik deed alles links. Schrijven, schroeven indraaien, stemmen, mijn lief strelen en afwassen. Geen enkel probleem.

Tot ik een ziekte kreeg die aan mijn linkerzijde begon. Mijn eerste gedachte was: had ik maar... Daar was het nu te laat voor. Om in beweging te blijven was ik overgeleverd aan gele pilletjes. Schrijven en schroeven ging steeds slechter. 

Had ik maar doorgezet als jochie, dacht ik. 

Steeds meer dagelijkse handelingen liepen vast. 

Om alles met rechts over te nemen, had ik mijn hele jeugd moeten oefenen: schoenveters strikken, de hond aangespen, met tien vingers typen, de krant doorbladeren, een ei afpellen, mijn baard afscheren, mijn nagels knippen, richten bij het staand plassen, de huissleutel in het slot steken, een paraplu rechthouden in de storm, masturberen, muntstukken uit mijn portemonnee peuteren, een zakdoek uit mijn broekzak halen om maar wat dagelijkse handigheden te noemen.

Had ik maar...

Over twee dagen liggen mijn nieuwe pillen klaar.