Onlangs demonstreerde ik tegen de gaswinning. Groningen werd verlicht door fakkels. Rond vijf uur kwam mijn dochter terug uit Utrecht. Ik vroeg haar naar haar treinreis, informeerde naar de tentamens en vertelde van de demonstratie. ‘Weten ze in Utrecht wat hier speelt?’, vroeg ik. ‘Sommigen. Zal ik meegaan?’

We zochten dikke sjaals, handschoenen, warme sokken en bergschoenen. ‘Ik doe mijn muts op, hoe idioot die ook zit’, waarschuwde ik. Ze trok hem wat schever en glimlachte goedkeurend vanachter haar sjaal. ‘Let’s go.’ 

‘s Middags had ik extra gerust, hopelijk voldoende. Vanaf de Vismarkt klonk luide muziek. Op het podium fulmineerden sprekers over aardbevingen en schadeloosstellingen. Gejuich en gejoel. Ik probeerde me te concentreren te midden van al die prikkels. Ineens verkrampte mijn linkervoet. De tenen klauwden in mijn schoenen. De spieren in mijn onderbeen stonden strakgespannen. Het plein stond nu vol demonstranten. Geen ruimte voor ontspanningsoefeningen. Toen de noordwestenwind ook nog eens natte sneeuw in ons gezicht sloeg, dacht ik aan opgeven. Een blik op mijn dochter was voldoende om door te zetten. Mijn muts en handschoenen waren doorweekt. Toen, voetje voor voetje, begonnen we. Bibberend en hinkend op mijn hak, demonstreerde ik.

Er werden fakkels uitgedeeld. ‘Ik hoef niet, lijkt me niet veilig zo’n wapperende fakkel’, grapte ik. Mijn dochter gaf me een arm en behoedde me voor stoepranden en elektriciteitskabels. De sprekers probeerden ons te laten scanderen: ‘Wij zijn het zat’ en ‘Gas terug’. Maar, waalfduizend Groningers zetten hun sterkste wapen in: minachtend zwijgen. 

Na tien minuten strompelen op de zijkant van mijn voet, ontspande die. Even pijnvrij. Ik wees mijn dochter dat achter ons de stroom demonstranten bleef aanzwellen. Het fakkellicht weerkaatste op de natgeregende kasseien. We glimlachten naar elkaar.

De glibberige keien gingen over in strak asfalt. Aan de overkant van de gracht blokkeerden boeren met hun trekkers de weg. Oranje zwaailichten, felle schijnwerpers en luide sirenes. Mijn dochter zwaaide naar mensen die ons langs de route aanmoedigden. Mijn linkerarm en -been bewogen in slowmotion. Een trompettist blies het Gronings volkslied. Met mijn dochter zong ik: ‘Pronkjewail in goolden rand’. 

Mijn stugge bergschoen had de huid van mijn verstijfde enkel geschaafd. De laatste kilometer voelde ik elke stap. Ik dacht aan de mensen met scheuren in hun huizen en stutten tegen hun gevels, daar deden we dit voor. ‘Nait soezen’, zeggen Groningers, ‘kop d’r veur!’ Op de Herestraat werd het droog. Nog even. Bij terugkomst op de Vismarkt gaven we elkaar een high five. 

Volbracht, en het voelde goed.