column PM logo websiteMijn Limburgse oma kreeg dagelijks buurvrouwen op bezoek voor koffie en een praatje. Tan-Tonnie sprak enorm tot mijn jeugdige verbeelding: doorrookte stem, een keffend kortharig chihuahua’tje op schoot, goudkleurig brillenmontuur, lange oorhangers en eeuwig krulspelden in. Alle buurvrouwen waren tante, maar niemand was familie. In rap Limburgs namen ze de buurt door, denk ik, want ik verstond er niets van. Zo als oma onderhoud ik mijn contacten niet. Ik groet mijn buren, maak beleefd een praatje maar blijf op afstand. 

Ik scroll op mijn iPhone door mijn contactenlijst. Die is wel eens groter geweest.

De meest-frequente contacten zijn mijn gezinsleden, verder figureren in de lijst oud-collega’s, wat vrienden en kennissen. Zonder werk en zorgtaken heb ik alle tijd voor afspraken. Maar met wie? Ik twijfel. Nee, die is nu aan het werk, die heeft de kinderen thuis, en die liggen vast nog te slapen. Zo ben ik snel uitgescrolld 

Ik blonk nooit uit in het onderhouden van contacten. Bellen vermeed ik. Ik leek te lijden aan telefoonvrees. De voice-mail was mijn firewall. Mail en WhatsApp mijn stille bondgenoten. Ik liet een boodschap achter en deed er het zwijgen toe.

Tien jaar parkinson hebben het er niet beter opgemaakt. Het is bekend dat de ziekte kan leiden tot sociaal isolement. Patiënten ondernemen minder en laten het initiatief over aan anderen. Als ik wil afspreken, zie ik eerst louter belemmeringen: de vermoeiende verplaatsing per auto, fiets of trein, het café-geroezemoes, kletterende koffiekopjes en het sissende espressoapparaat. Verder kom ik moeilijk uit mijn woorden, verhaspel ik namen en verlies ik de rode draad van het gesprek. Na een uur ben ik doodop. De ander praat. Ik beaam en hum. Wat een gedoe, denk ik achteraf: laat ook maar. Dan maar geen contact. Ik amuseer me wel in mijn stoel met een podcast, een e-book of een Netflix-serie. Zo liet ik mijn sociale contacten verschrompelen. 

Soms kwamen de tantes niet bij mijn oma. Dan was er een onvertogen woord gevallen. Na een paar dagen zochten ze elkaar weer op, om het bij te leggen en voort te kletsen. Contact bleek onmisbaar. Een mens heeft behoefte om te delen en deelgenoot te zijn. Je bent pas mens als je je verhoudt tot anderen.

Met wat aanpassingen behield ik toch wat contacten over. Ik stelde voor ‘prikkelvrij’ af te spreken, vroeg de ander de reistijd op zich te nemen en maakte mijn gasten duidelijk wanneer ik moe werd en het tijd voor vertrek was. Toen ik de frustratie voelde bij een vriend omdat ik amper reageerde op zijn voorstellen om af te spreken, legde ik uit hoe dit bij mij werkte. Hij toonde begrip voor mijn reactie en ik beloofde beter mijn best te doen. 

En nu app ik hem: ‘Morgen koffie en lunch?’. Als pubers kletsten we dagelijks urenlang door de telefoon. Geen idee meer waarover. Maar net als oma en de tantes ging het geklets wel degelijk ergens over. We deden het om van ons af te praten, om niet alleen te zitten met problemen, om samen blunders weg te lachen. ‘Morgen bij jou, is prima,’ app hij terug.

Ik ben veel alleen, maar ben niet eenzaam. Ik ken mijn zwakke plek en let erop. Want hoezeer bezoek mij ook vermoeid, ik leef op van de verhalen en de aandacht. Daarmee kom ik de dagen alleen weer door. De mens is een sociaal dier, geen kluizenaar.