Column Parkinson Magazine

Wij pakken onze koffers, hond P piept onrustig. Zijn bruine staart zwiept zenuwachtig in het rond. Hij dribbelt naar de gang. Voor de voordeur strekt hij zich uit. Hij wil mee. Zijn snuit ligt op de kokosmat. Met zijn bruin-gele ogen houdt hij onze koffers in de gaten. Natuurlijk mag hij mee. Hij hoort toch bij het gezin?

‘Wat gebruik jij?’ 

Die vraag stellen parkinsonpatiënten elkaar vaak bij hun kennismaking. Eerst je naam, dan je medicijnen. Pillen als deel van je identiteit.

 ‘Eh... Ja... Een stuk of acht ovale gele pilletjes en twee van die kleine witte rondjes,’ hakkel ik. ‘Sinemet, of nee, toch sifrol?’

Nog geen veertig en ik had parkinson. Toevallig trof mij nou net de ziekte zonder genezing. Althans, vooralsnog. Ik hoop dat onderzoekers de remedie vinden voor ik te oud ben. Naïef misschien, maar zonder hoop geen leven. Zonder hoop is mijn toekomst een schrikbeeld van verval.

Mijn zoon haalde onlangs zijn rijbewijs. Nog voor hij achttien werd. Het leek mij goed om hem vroeg te leren rijden. Voor hem is dat leuk en stoer. Maar ik had ook een eigenbelang: hij kon mij dan rijden. Sinds ik parkinson heb, rij ik alleen nog naar de Albert Heijn; lange afstanden doet mijn vrouw. Ze is een topchauffeuse, met een onfeilbaar richtingsgevoel dus ik heb niets te klagen. Ze brengt me overal. Het enige probleem is dat ik ‘meerij’. Ik rem mee, roep dat ze moet oppassen bij kruisingen en hoor onheilspellende geluiden. Ze is er aan gewend geraakt.

E-health heeft de toekomst. Binnenkort verloopt 70 procent van alle medische consulten online. Dat scheelt zorgverzekeraars geld en patiënten tijd. Voor mij is een ziekenhuisbezoek geen ommelandse reis. Ik woon vlakbij. Dus fiets ik naar de neuroloog. In het ziekenhuis vind ik vlekkeloos mijn weg naar de poli-neurologie. Verdwalen zal ik niet. Bij de assistente achter de balie check ik in. Precies op tijd. Ik wel, maar de neuroloog niet, die loopt altijd uit. Parkinsonpatiënten praten trager dan zorgverzekeraars in hun protocollen veronderstellen. 

In zijn grijze lange regenjas wandelde de man een paar keer week langs ons huis. Ik zie hem veertig jaar later in mijn gedachten lopen. Handen op de rug, zonder haast. Ons huis stond aan een doodlopende straat. Je kon er wel in, maar er door lukte niet. Ter afwisseling kon je aan de ene kant van de straat het voetpad heen en dat aan onze kant terug nemen.

‘Daar heb je meneer Gerritsen,’ wees mijn moeder.