Column Parkinson Magazine

Deze column gaat volgens het kadertje bij mijn foto over een man met parkinson en opgroeiende pubers. Ik behoor te vertellen hoe het is om naast een zoon en dochter ook nog eens parkinson te hebben. Soms is dat behoorlijk ellendig. Omdat je door vermoeidheid of fysieke klachten niet mee kunt doen met je kinderen. Of omdat je niet kunt rijden bij uitwedstrijden of niet kunt mee klussen bij het opleuken van de puberkamer. Toch krijg je ook onverwachte kansen als parkinsonpappa. Je bent vaak thuis waardoor je kunt helpen bij schoolopdrachten en klaar staat tijdens examenstress. Dat scheelt. Of mijn aanwezigheid en kopjes thee het verschil maakten is de vraag. In ieder geval haalden beide kinderen zonder zittenblijven hun VWO. 

In 2017 heb ik tien jaar parkinson, bestaat de ziekte van Parkinson tweehonderd jaar en is de parkinsonvereniging veertig jaar oud. Daarmee is 2017 een herdenkingsjaar. Net als een huwelijk na vijftig jaar een gouden randje krijgt, kan een ziekte een monumentale status verwerven. Het blijft natuurlijk kalendergeschiedenis. Wat maakt het uit of iets 74 of 75 jaar geleden is gebeurt?

Ik frunnik de rits van mijn jaszak open. Het slordig opgevouwen recept voor nog meer medicijnen, frommel ik erin weg. Ik wil de neuroloog een hand geven maar halverwege zit er niet meer in dan een trillend wuifgebaar. Een haperende high five. Hij richt zich al tot de volgende patiënt. Hij kon niets anders bedenken dan een nieuwe cocktail van pillen.

Met moeite verstond ik mijn vader. Hij sprak zachtjes sinds zijn ongeluk. Dat was op zich geen probleem. Immers, even had het erop geleken dat praten er nooit meer in zou zitten. Dus die zachte stem was peanuts. 

Alleen onhandig op deze plek. 

Ik was mijn handen met een steriliserende vloeistof. Op de verpleegafdeling neurochirurgie wil men geen onnodige risico’s lopen. Die zijn daar al genoeg. Ik loop achter mijn moeder aan door de gang langs de balie van de verpleging. Ze gaat snel naar het bed van mijn vader. Mijn vader die ik nooit zieker heb gezien dan met een zware verkoudheid (“Ach, stelt niets voor, even uitzieken,” zei hij dan en snoot nog eens goed zijn neus), lag na een ongeluk ineens in het ziekenhuis. Nog erger: hij lag direct in de operatiekamer.

Op een gele fiets rijd ik door Delft. Het is zaterdag, marktdag. Ik laveer tussen slenterende mensen door. Zonder ongelukken bereik ik de gracht waar mijn zoon woont. Met zijn sleutel open ik het poortje dat naar een fietsenstalling leidt. Via de keuken stap ik zijn studentenhuis in. Ik loop door donkere gangen. Ik herken de geur die een oud huis aanneemt als er jarenlang studenten wonen.