Column Parkinson Magazine

Ik frunnik de rits van mijn jaszak open. Het slordig opgevouwen recept voor nog meer medicijnen, frommel ik erin weg. Ik wil de neuroloog een hand geven maar halverwege zit er niet meer in dan een trillend wuifgebaar. Een haperende high five. Hij richt zich al tot de volgende patiënt. Hij kon niets anders bedenken dan een nieuwe cocktail van pillen.

Met moeite verstond ik mijn vader. Hij sprak zachtjes sinds zijn ongeluk. Dat was op zich geen probleem. Immers, even had het erop geleken dat praten er nooit meer in zou zitten. Dus die zachte stem was peanuts. 

Alleen onhandig op deze plek. 

Ik was mijn handen met een steriliserende vloeistof. Op de verpleegafdeling neurochirurgie wil men geen onnodige risico’s lopen. Die zijn daar al genoeg. Ik loop achter mijn moeder aan door de gang langs de balie van de verpleging. Ze gaat snel naar het bed van mijn vader. Mijn vader die ik nooit zieker heb gezien dan met een zware verkoudheid (“Ach, stelt niets voor, even uitzieken,” zei hij dan en snoot nog eens goed zijn neus), lag na een ongeluk ineens in het ziekenhuis. Nog erger: hij lag direct in de operatiekamer.

Op een gele fiets rijd ik door Delft. Het is zaterdag, marktdag. Ik laveer tussen slenterende mensen door. Zonder ongelukken bereik ik de gracht waar mijn zoon woont. Met zijn sleutel open ik het poortje dat naar een fietsenstalling leidt. Via de keuken stap ik zijn studentenhuis in. Ik loop door donkere gangen. Ik herken de geur die een oud huis aanneemt als er jarenlang studenten wonen.

Wij pakken onze koffers, hond P piept onrustig. Zijn bruine staart zwiept zenuwachtig in het rond. Hij dribbelt naar de gang. Voor de voordeur strekt hij zich uit. Hij wil mee. Zijn snuit ligt op de kokosmat. Met zijn bruin-gele ogen houdt hij onze koffers in de gaten. Natuurlijk mag hij mee. Hij hoort toch bij het gezin?

‘Wat gebruik jij?’ 

Die vraag stellen parkinsonpatiënten elkaar vaak bij hun kennismaking. Eerst je naam, dan je medicijnen. Pillen als deel van je identiteit.

 ‘Eh... Ja... Een stuk of acht ovale gele pilletjes en twee van die kleine witte rondjes,’ hakkel ik. ‘Sinemet, of nee, toch sifrol?’