Ik begin met krachtige klappen. 

Als ik dit volhoud haal ik in acht minuten mijn afstand. Na anderhalve minuut hijg ik heftig en protesteren mijn schouders. Ik zet door. Vijf minuten later laat ik het tempo iets zakken, om in de laatste anderhalve minuut alles eruit te persen. Ik kreun en steun en zie dat ik in nog geen negen minuten ‘binnen’ ben. 

Yes.

Geen applaus, niemand merkt het op. Ik doe alleen mijn wedstrijdjes. Ik feliciteer mezelf en dep met de handdoek mijn voorhoofd. Ik blijf napuffend zitten op het roeiapparaat. Als ik opsta voel ik mijn rug die verstijfd is geraakt door het roeien. Nog warm van de inspanning stap ik op de crosstrainer naast de roeimachine. Ik weet hoe hard ik moet bewegen om mijn record te benaderen. Een kilometer in vijftien minuten. Ik stamp op de pedalen, trek de hendels fanatiek naar mij toe. Opnieuw ben ik de overwinnaar in mijn eigen wedstrijd. 

In gedachte doe ik een heuse work-out, maar in werkelijkheid gebruik ik de fitness-apparaten van mijn in chronische ziektes gespecialiseerd fysiotherapeut. Naast mijn geen hunk met sixpack, maar een dame met een spasme. Na het zweetwerk, volgt het echte werk: wiebelend op een been op een ongelijke ondergrond om de stabiliteit te trainen, rekken en strekken met een houten stok om de mobiliteit te bevorderen of badminton-spelletjes om de oog-hand-coördinatie te verbeteren. Als ik met grote moeite mijn linkerarm achterwaarts omhoog steek en de handen van de fysio voel trekken aan mijn pols om nog meer en nog hoger te strekken, voel ik hoe stijf mijn schouderpartij is. Ze trek nog en ik merk hoe verder ik strek hoe losser mijn rug voelt. 

Na veertig minuten is het mooi geweest. Als ik mijn kleding uit mijn locker pak voel ik me fit en veerkrachtig, even lijkt het lijf vergeten te zijn dat parkinson het bewegingsapparaat treft.