De witte cijfers geven aan dat het nog steeds niet later is. Mijn benen strek ik uit. Met mijn tenen raak ik het voeteneind aan. Kramp schiet in mijn kuiten. De spieren in mijn onderrug voelen stijf aan. Het is nog te vroeg voor medicijnen. De pilletjes liggen naast mijn leeslampje op het nachtkastje. Het aluminium doordrukstripje met de ovale, gele pilletjes bevat tien pillen. Op een dag gebruik ik er acht. Over een doosje doe ik zeven dagen. Vier per maand, bijna vijftig doosjes per jaar. Ik haal ze bij de apotheek, die ze in een papieren tas stopt, zo een die je krijgt als je kroketten, frikadellen en eierbalen bij de snackbar koopt. De pilletjes zijn maar klein, maar werken. Ik slik ze pas rond half acht. Dat duurt nog zes uur. Ik lig in bed en ik Ik twijfel of ik blijf liggen. Als ik in bed blijf ga ik malen, peinzen en piekeren. Als ik uit bed ga weet ik dat ik moet oppassen. De gevaren liggen op de loer. Iets drinken? De witte wijn van eerder op de avond staat in de koelkast en lokt. Een paar stukjes kaas erbij? En dan een schimmige documentaire op National Geographic bekijken onder een dekentje op de bank? In plaats van de slaap op te roepen, maak ik mijn systeem alert. Ik moet de prikkels vermijden. Beter is het om een kop thee te drinken in de duistere woonkamer, schaars verlicht door het schijnsel van het rode lichtje op de tv die standby. En dan na een half uurtje het opnieuw te proberen in bed. Maar dat voelt saai en zonde van mijn tijd. Ik blijft dus liggen in mijn bed. Woel en draai. Ik sluit mijn ogen. Luister naar de ademhaling van mijn vrouw naast me. Straks zal ze me aanstoten als ik snurk. Ik zal in mijn slaap sorry mompelen. Straks zal ik snurken, heel hard, straks als ik slaap.