Ondertussen waren andere patiënten binnengekomen. Vooral oudere mensen viel mij op. Ik nam plaats op een leeg stoeltje en bladerde wat door de leesmap. Vanuit mijn hoekje hield ik de deur van de spreekkamer in de gaten. 

Een lange, magere arts verscheen in de wachtkamer. De neuroloog. Hij vroeg mij mee te lopen. Door het smalle gangetje liep hij achter mij aan. Zonder dat ik er erg in had, was hij al begonnen met de observatie. Hij bekeek mijn looppatroon. Ik nam plaats voor zijn bureau en wachtte af. Keurig gaf ik antwoord op de vragen. Opnieuw vertelde ik over mijn fysieke problemen. In het dossier schreef hij mijn verhaal. Ik kreeg de opdracht mij te ontkleden. In de onderzoeksruimte deed ik enkele oefeningen. Lopen, bukken, op een been staan, hinkelen. De arts keek toe. Uiteindelijk mocht ik op het onderzoeksbed gaan zitten, met mijn benen over de rand. De arts kwam voor mij staan en vroeg mij met mijn linkerwijsvinger mijn neus aan te raken. Dat lukte aardig. En ook met rechts. Ten slotte kreeg ik de taak om mijn vingers een voor een tegen de duim van die hand te tikken. Het liefst zo snel mogelijk. Links deed het minder dan rechts. De arts knikte. ‘Ik weet genoeg, maar ik haal even mijn collega, moment.’ 

Even later stonden er twee neurologen tegenover mij. Opnieuw deed ik de oefeningen. Ze keken elkaar aan. ‘Geen twijfel over mogelijk, je hebt het goed gezien.’ De neuroloog die er bij gehaald was, bleek de Parkinsonspecialist te zijn. Hij deelde de conclusie van de eerste neuroloog. Het leek de specialisten eigenlijk overbodig, maar voor de zekerheid zou er een scan volgen. ‘Om alles uit te sluiten,’ zeiden ze cryptisch. Ze bedoelden dat ze zeker wilden zijn dat er geen tumor in de weg zat. De afspraak werd gemaakt en ik fietste door de najaarskou naar huis.