Stadsrafels

'Er zit iemand op onze plek'. Acht jonge vrouwen, entreebiljetten in de hand, schuifelden door het gangpad naar de eerste rij. Op een van hun pluchen zitplaatsen zat een man in een wit overhemd. Goh, had ik nog gedacht toen ik mijn plaats op rij twee innam, een donkere man in een bijna blank Stadsschouwburgpubliek. 

'Dat lossen we wel even op,' sprak een der dames resoluut. Onomwonden wees ze de man op zijn plaats. ‘Daarboven op het balkon is ook een rij één.’ Vriendelijk, hoofs buigend, verontschuldigingen prevelend schoof hij langs de acht zelfbewuste vrouwen. Awkward, zoals zij hun ruimte opeisten. Natuurlijk delen we. Uiteraard schikken we in. Vanzelf gunnen we de ander ruimte. Maar niet ongevraagd. Niet als we gereserveerd hebben.  

Na afloop naar het theatercafé voor een biertje en om de acteurs te zien. 'Goed hoor, zo'n stuk over vluchtelingen. Zet aan tot nadenken, brengt alles dichterbij. Nog een drankje?' Maar ik zag geen acteurs. Wel zwarte mannen in overhemden. Dezelfde mannen die in de zaal 'verkeerd' hadden gezeten. Het NNT speelt na het slotapplaus gewoon verder. Een jonge Eritrieeër gaf een hand en bood ons een plaatsje aan rond zijn tafel. Ongemak of een mogelijkheid? Nors zwijgend of hakkelend contact maken? 

‘Is het niet gênant om deze rol te spelen?’ 

‘Nee, dit werk is prachtig. Beter dan het AZC.’ 

Later in de foyer beaamde regisseuse Ola Maafalani dit. Ze had net de jongens op de bus naar AZC Onnen gezet. Natuurlijk is er ongemak. Echter, de jongens hadden genoten. Ze hadden ‘gewoon’ gepraat met mensen van buiten het AZC. 

Maafalani's stuk werkt door, ook nadat het laatste glas in het theatercafé is afgewassen en gepoleerd. De beelden, woorden en het ongemak blijven rondspoken. Hoe heet je een vluchteling welkom? Gewoon door naast hem te zitten en te praten. Hoe ongemakkelijk het aanvankelijk ook voelt.

Vrijdag bezocht ik mijn vader. Hij zat in de gemeenschappelijke ruimte, in een hoek, vlakbij de gang naar zijn kamer. Mijn vader lijkt op mij, mensen moeten niet te dichtbij komen. Op zijn iPhone tikte hij berichten. Sinds hij na een fietsongeluk in het ziekenhuis belandde, heeft hij de zegeningen van de smartphone ontdekt. Op zijn oude dag leerde hij appen. Zijn telefoon is zijn radio en zijn krant.

‘Het is een streep door de rekening,’ zegt Woubaert van Frolichound. ‘Ik heb jaren uitgekeken naar mijn ontgroening en nu dit.’ Het zeventienjarige aspirant-corpslid uit Groningen, wijst op de krantenkop: ‘Ontgroeningen ontaarden’. De oud-preses van de Achtstegroepersvereniging ‘Nihil lacrima citius arescit’ (‘niets droogt sneller dan een traan’) weet al sinds de basisschool ‘De Brallenbrak’ dat hij lid wilde worden van een studentencorps.

De bel ging. Mopperend legde ik de krant aan de kant en liep naar de voordeur. Even daarvoor had ik buiten stemmen gehoord, vriendelijk, maar wel vasthoudend. Ik deed wantrouwig open. Ik hou niet van mensen aan de deur. Mijn adres kent een welvarende postcode ten minste in de databases van de liefdadigheid. Straten die goudmijnen beloven voor collectanten. Ik geef altijd aan goede doelen, al weigeren ze steeds vaker mijn contante gift. Machtigingen voor donaties dat is wat ze willen. Pleur op, denk ik dan. 

Hij richt zijn videocamera op de man met het hondje. Door de zoeker ziet hij angstige, wijd opengesperde ogen. ‘Zo, oude man, terroriseer je onze buurt met die agressieve, valse kuitenbijter?’ Hij duwt de camera bijna tegen de bril van de hondenuitlater. ‘Hier spelen onze kinderen, dit is hun enigste plek om buiten te zijn.’ De man antwoordt met een klein stemmetje dat hij geen kinderen ziet. ‘En hoe zou dat nou komen, drollenvanger?‘Achter hem klinkt het lachen en juichen van de hangjongeren. 

Met mijn moeder en zus reed ik deze week dagelijks naar mijn vader in Zwolle. Gelukkig zien we elke dag lichtpuntjes aan zijn ziekenhuisbed. Als bijrijder geef ik pepermuntjes en de parkeerkaart en adviseer ik bij het schakelen. Ik bedien de airco en wijs op interessante objecten. 'Kijk, het stadion van PEC Zwolle.' Dat Ron Jans hier trainer is, interesseert mijn zus geen bal; voetbal boeit haar niet (zij kwam ook nooit kijken in mijn Eemsboys-jaren). Mijn moeder hoort het niet; zij tuurt naar de verkeerslichten voor het IJsselvalleistadion.

Telefoon in de nacht is zelden goed nieuws. Nog voor ik opnam wist ik wat de boodschap zou zijn. De stem van mijn zus klonk angstaanjagend rustig. Even later reed ik met mijn lief door de nacht over de A28. Al het schaarse verkeer lieten we achter ons. Afrit na afrit passeerden we. Verder, sneller, door de duisternis. De mistflarden in Drenthe waren coulissen waar achter de ware gedaante van het leven stond.