Het besluit viel. De elektrode ging eruit. Nieuwe X-, Y-, Z-waarden klonken door de OK. De alternatieve coordinaten werden ingesteld. Ik herinner me iets van Y = 151,5. De neuroloog praatte mij bij. Hij was benieuwd om te zien hoe ik zou reageren op de tweede poging. Ik stemde in met het voorstel,

Ik herken de weerklank in de gang van het loopje van mijn Lief. In de paar dagen ziekenhuis had ik de klanken van het ziekenhuis leren kennen.

Ik ben nu al twee weken thuis. Het ziekenhuis lijkt ver weg. Ik zit in mijn favoriete stoel, hoor mijn Lief thuis komen, ze heeft hond P. uitgelaten. We hadden samen moeten gaan. Ik had hier niet moeten blijven zitten. Misschien had ik alleen de hond moeten uitlaten.

De eerste dagen na de operatie viel mijn bril voortdurend van mijn neus. Als slechtziende kan ik niet zonder bril. Ik voel me onthand als ik niet kan zien wat er om me heen gebeut. Deels is het ordinaire nieuwsgierigheid maar deels is het ook instinct: weten waar de dreiging vandaan komt doe je door de ingang van je schuilplek in de gaten te houden.

DBS-Log #46: Onder de tulband een kuttekop

De dag na de operatie genoot ik van de rust op mijn kamer. De man tegenover mij was na een korte ingreep ontslagen, en voor die tijd had hij weinig lawaai om zich heen. Best irritant, als zijn vrouw kwam fluisterde ze zo zacht dat ik niets kon volgen. De andere twee bedden waren onbezet. Ik kon zonder onrust bijkomen. Voorlopig althans, mijn deel burengeraas zou ik nog krijgen, maar dat wist ik toen nog niet.

Ik mocht dus op vrijdag naar huis. Eindelijk. Ik weet dat het in vergelijking met andere gevallen peanuts is, maar ik had het wel gehad in het ziekenhuis. Zeker toen ik vrijdagochtend verrast werd met de plotse terugkeer van mijn kamergenote die zelf vriendelijk en rustig was, tevreden met haar eigen vergeetachtigheid; dementie is vooral een probleem voor de omgeving zoals zal blijken.

Toen op donderdag duidelijk werd dat ik in verband met de heling van de hoofdwonden nog een nachtje in het ziekenhuis moest doorbrengen, ging ik daar natuurlijk akkoord mee. De grootste wond leek nog wat wondvocht af te geven en belemmerde de vorming van korstjes. Een krokant wondlaagje kost nou eenmaal enige tijd. In Elfstedentochttermen: ik had nog een windwak op mijn hoofd. De zaalarts schakelde al zijn hulplijnen; hij stapelde supervisor op supervisor om bevestiging te krijgen van zijn vermoeden. Ik vroeg aan de verpleging of mijn rust deze laatst nacht wat beter bewaakt kon worden. Ik wees maar de lege plek naast mij. Vannacht komt daar niemand te liggen, garandeerde men mij. En er waren afspraken gemaakt met de familie.

Heel behoedzaam, bevreesd om te vallen, liep ik naast mijn Lief de afdeling af. ‘Beneden haal ik een rolstoel om je naar de parkeergarage te rijden,’ zei ze terwijl ze het knopje van de lift indrukte. Ik knikte. Ik bleef een gevoelige linkervoet houden en had zo weinig gelopen de afgelopen dagen dat ik onzeker ter been was geworden. Het ziekenhuis heeft een grote entree, zo een die de allure heeft van een vertrekhal van een vliegveld,

Een bescheiden kerstboompje stond naast de kast. In alle hectiek had mijn Lief toch nog kans gezien om voor wat kerstsfeer te zorgen in huis. Kaarsjes en kerstverlichting. Ook het terracotta kerststalletje

Het was nog rustig op de eerstehulppost van het ziekenhuis. Of eigenlijk de weekenddienst van de gezamenlijke huisartsen. Er liep een kerel rond met een bebloed gezicht, hij werd afgeleverd door twee agenten en maakte de indruk dat hij stijf van de speed stond. Het was  zondagochtend ver voor koffietijd, en ik zat met enorm verband om mijn hoofd op een geleende rolstoel te wachten op mijn beurt. ‘U komt voor uw...eh...voet,

Na weer tien minuten wachten mocht ik een ruimte binnen rollen die me deed denken aan het magazijn van een handvaardigheidslokaal. Kasten vol uitpuilende schappen en manden vol verbindmateriaal, een verstelbare behandelstoel met daarnaast op een verrijdbaar tafeltje glinsterende instrumenten. Bij het gootsteentje lagen restjes gips en enorme scharen.

En daar zat ik dan. Eindelijk thuis daags voor kerstmis, echter niet in mijn paas-beste kerstkleding, maar in een joggingbroek die extra wijd uitviel en een shirt met een soepele hals. Mijn kerstkostuum werd afgemaakt door een makkelijk open te ritsen vest. Schoenen droeg ik niet, een warme sok hield de rechtervoet warm terwijl de tenen van de andere voet net uit het benauwde gips piepten.

Op maandag voor kerst kreeg ik de beschikking over een rolstoel. Twee grote wielen met een daarop gemonteerd een hoepel waarmee je met je hand het wiel en daarmee de rolstoel in beweging kan brengen. Je moet een beetje kano-ervaring meebrengen om te draaien:

Ik voel het aangenaam warme water over mijn rug naar mijn billen stromen. Bijna een maand lang heb ik mij gewassen aan de wastafel, met wat water in de bak, beetje zeep erin - Zwitsal-baby-zeep omdat die zo zacht is - en maar poedelen.

DBS-Log #56: Met mijn been steken tussen de liftdeuren

‘Wat voor kleur wil je?’ Ik kon kiezen welke kleur gips ik wilde. De gipsmeester wapperde met een kleurenwaaier voor mij neus. Allerhande opties waren mogelijk. ‘Roze, blauw, wit? Een panterprint, camouflage of poezenpootjes’, somde hij op. Gips is niet lastig, gips is fun, wilde ze maar zeggen.

Vanochtend werd ik wakker rond zessen. Ik wilde liever nog even doorslapen. Maar de aandrang tot plassen liet zich voelen. Ook voelde ik de stijfheid in mijn rug en arm ontwaken. Ik probeerde het nog te negeren maar langer dan een half uurtje lukte het niet. Plassen deed ik in mijn urinaal.

Je kunt als niet-man je niet voorstellen hoe lekker het plassen is, bij voorkeur in de openlucht en wel tegen een boom of een muurtje. Zeker als er een beetje spanning op staat. Wildplassen mag niet meer in ons gereguleerde landje, maar ik heb een alternatief gevonden: urinaal plassen.

‘En hoe gaat het er nu mee, je ziet er een stuk beter uit dan op de foto die je stuurde.’ De bezoekers op de bank kijken mij blij aan. Ze kwamen pas toen mijn tulband niet meer nodig was. Nu zij op ziekenbezoek komen, gaan de wonden op mijn hoofd niet langer verborgen onder een donkere laag opgedroogd bloed. Geleidelijk zijn de korstjes - ik beheers me tot het uiterste om niet te krabben - verbrokkeld tot restjes.

Sinds de operatie had ik geen uitstapjes ondernomen. Behalve dan naar de gipsmeester of de fysiotherapie. Gisteravond moest het er maar eens van komen. Ver voor de operatie hadden we kaartjes besteld. Het zou heel toevallig zijn als concert en operatie samen zouden vallen.

 

Een week geleden onderzocht de DBS-verpleegkundige mij. Elke week hadden wij vanaf de operatie contact gehad. Zo ontstond een beeld van mijn stijfheidssituatie. Grofweg: vlak na de operatie soepel in benen, armen en lijf, na vier weken nam dit af en keerde geleidelijk stijfheid terug. Ik werd steeds vroeger wakker door stijfheid in mijn lijf (rug, schouder, arm) en moest telkens meer medicatie nemen om de dag een beetje fit door te komen. Dit beeld had ik telefonisch doorgegeven en vorige week werd ik onderzocht met enkele lichamelijke testen.

Geroutineerd duwde mijn Lief mij door de parkeergarage van het ziekenhuis naar de lift. Ik zat er ook ervaren bij, alsof ik al jaren in een rolstoel rondgereden werd. We lieten het bureaucratische gedoe bij de opnamebalie gelaten over ons heenkomen, ik overhandigde mijn oproepbrief en mijn ziekenhuispasje zonder ausweiss-opmerkingen te maken en knikte bereidwillig op alle vragen. De weg naar de afdeling kenden we, uiteraard, geen probleem.

‘Nee, we zien het niet vaak dat een patiënt zo moet lachen, maar wees gerust, het is niet gek. De elektrode zit zo dichtbij je gevoelscentrum, het is millimeterwerk.’ Het kostte enige minuten om het niet te stuiten gelach kwijt te raken. Toen ik zei dat ik wel weer verder kon, zag ik mijn Lief in mijn ooghoek, en wist ik dat ze mij, zoals altijd, doorzag, ik zat me groot te houden; het lachen was nog niet gedaan.

Op mijn schoot lag het blauwe doosje waarin de afstandbediening van de DBS lag. Vanaf een afstand leek het of ik een nieuwe iPhone had gekocht. In mijn portemonnee zat het pasje dat ik altijd bij mij moest dragen. Die kon ik laten zien als er acute medische hulp nodig was, of bij veiligheidspoortje op een vliegveld. Onder geen beding in een magnetisch veld terechtkomen, was mij op het hart gedrukt.

Vijfduizend stukjes. Weken van sorteren op kleur en vorm, turen naar het voorbeeld, speuren naar de juiste plek. Eindelijk, het was voltooid. Vanochtend keek ik nog een keer naar de Toren van Babel. En toen pakte ik de doos en begon de stukjes erin te gooien. Klaar.

Twee dagen na het ontgipsen volgde het eerste finetune-moment. Op de ochtend van mijn eenenvijftigste verjaardag werd op mijn borst het contactpunt van de DBS geplakt. Ik vertelde wat in de paar passen van de wachtkamer naar de spreekkamer, al zichtbaar was,

Die middag, van mijn verjaardag, liep ik door de stad. Na de succesvolle bijstelling van de DBS in de ochtend, mocht ik van mijn Lief een verjaardagscadeautje uitkiezen. Met mijn nieuwe rugzak omgegord, verlieten we de outdoorshop, in de schaduw van de Martinikerk.