DBS-Log #56: Met mijn been steken tussen de liftdeuren

‘Wat voor kleur wil je?’ Ik kon kiezen welke kleur gips ik wilde. De gipsmeester wapperde met een kleurenwaaier voor mij neus. Allerhande opties waren mogelijk. ‘Roze, blauw, wit? Een panterprint, camouflage of poezenpootjes’, somde hij op. Gips is niet lastig, gips is fun, wilde ze maar zeggen.

Vanochtend werd ik wakker rond zessen. Ik wilde liever nog even doorslapen. Maar de aandrang tot plassen liet zich voelen. Ook voelde ik de stijfheid in mijn rug en arm ontwaken. Ik probeerde het nog te negeren maar langer dan een half uurtje lukte het niet. Plassen deed ik in mijn urinaal.

Je kunt als niet-man je niet voorstellen hoe lekker het plassen is, bij voorkeur in de openlucht en wel tegen een boom of een muurtje. Zeker als er een beetje spanning op staat. Wildplassen mag niet meer in ons gereguleerde landje, maar ik heb een alternatief gevonden: urinaal plassen.

‘En hoe gaat het er nu mee, je ziet er een stuk beter uit dan op de foto die je stuurde.’ De bezoekers op de bank kijken mij blij aan. Ze kwamen pas toen mijn tulband niet meer nodig was. Nu zij op ziekenbezoek komen, gaan de wonden op mijn hoofd niet langer verborgen onder een donkere laag opgedroogd bloed. Geleidelijk zijn de korstjes - ik beheers me tot het uiterste om niet te krabben - verbrokkeld tot restjes.

Sinds de operatie had ik geen uitstapjes ondernomen. Behalve dan naar de gipsmeester of de fysiotherapie. Gisteravond moest het er maar eens van komen. Ver voor de operatie hadden we kaartjes besteld. Het zou heel toevallig zijn als concert en operatie samen zouden vallen.

 

Een week geleden onderzocht de DBS-verpleegkundige mij. Elke week hadden wij vanaf de operatie contact gehad. Zo ontstond een beeld van mijn stijfheidssituatie. Grofweg: vlak na de operatie soepel in benen, armen en lijf, na vier weken nam dit af en keerde geleidelijk stijfheid terug. Ik werd steeds vroeger wakker door stijfheid in mijn lijf (rug, schouder, arm) en moest telkens meer medicatie nemen om de dag een beetje fit door te komen. Dit beeld had ik telefonisch doorgegeven en vorige week werd ik onderzocht met enkele lichamelijke testen.

Geroutineerd duwde mijn Lief mij door de parkeergarage van het ziekenhuis naar de lift. Ik zat er ook ervaren bij, alsof ik al jaren in een rolstoel rondgereden werd. We lieten het bureaucratische gedoe bij de opnamebalie gelaten over ons heenkomen, ik overhandigde mijn oproepbrief en mijn ziekenhuispasje zonder ausweiss-opmerkingen te maken en knikte bereidwillig op alle vragen. De weg naar de afdeling kenden we, uiteraard, geen probleem.

‘Nee, we zien het niet vaak dat een patiënt zo moet lachen, maar wees gerust, het is niet gek. De elektrode zit zo dichtbij je gevoelscentrum, het is millimeterwerk.’ Het kostte enige minuten om het niet te stuiten gelach kwijt te raken. Toen ik zei dat ik wel weer verder kon, zag ik mijn Lief in mijn ooghoek, en wist ik dat ze mij, zoals altijd, doorzag, ik zat me groot te houden; het lachen was nog niet gedaan.

Op mijn schoot lag het blauwe doosje waarin de afstandbediening van de DBS lag. Vanaf een afstand leek het of ik een nieuwe iPhone had gekocht. In mijn portemonnee zat het pasje dat ik altijd bij mij moest dragen. Die kon ik laten zien als er acute medische hulp nodig was, of bij veiligheidspoortje op een vliegveld. Onder geen beding in een magnetisch veld terechtkomen, was mij op het hart gedrukt.

Vijfduizend stukjes. Weken van sorteren op kleur en vorm, turen naar het voorbeeld, speuren naar de juiste plek. Eindelijk, het was voltooid. Vanochtend keek ik nog een keer naar de Toren van Babel. En toen pakte ik de doos en begon de stukjes erin te gooien. Klaar.

Twee dagen na het ontgipsen volgde het eerste finetune-moment. Op de ochtend van mijn eenenvijftigste verjaardag werd op mijn borst het contactpunt van de DBS geplakt. Ik vertelde wat in de paar passen van de wachtkamer naar de spreekkamer, al zichtbaar was,

Die middag, van mijn verjaardag, liep ik door de stad. Na de succesvolle bijstelling van de DBS in de ochtend, mocht ik van mijn Lief een verjaardagscadeautje uitkiezen. Met mijn nieuwe rugzak omgegord, verlieten we de outdoorshop, in de schaduw van de Martinikerk.

‘Schrijf je nog?’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Komt er nog een column?’ Ik schraapte mijn keel, maar er kwam niets. ‘Het is nou wel heel lang stil geweest.’ Stilte.