Stadsrafels

Bij de lente is het zonneklaar. Het is voorjaar als het rokjesdag is. Bij toverslag dragen vrouwen ineens korte rokken, met daaronder blote benen. Op elke straathoek en in ieder park zie je ze. Een glorieus moment. De winter is overwonnen. Vanaf nu heerst de zon. Niets voor niets zongen de Beatles: ‘Here comes the sun, little darling, the smiles returning to the faces.’ Dat die glimlach samenhangt met ontblote benen is logisch.

Ze zijn weg. Hun busjes vol gereedschap staan niet langer op de oprit. Ik hoef geen bakken koffie met suiker te schenken en geen ongemakkelijke gesprekken meer te voeren. ("Goh, stukadoor, hoe ben je dat nou geworden?" Of: "Knap hoor, hoe je die frees door dat beton jaagt, is dat iets dat je altijd al ambieerde?") De mannen van het gas, water, licht en stucwerk hebben de klus geklaard. En ze deden het prima, vaklui.

 Westerkrant, 21-10-2015

 

Ergens in de stad klinken kerkklokken. De zon heeft het moeilijk, zei het krantenweerbericht. Dat belooft weinig goeds. Alleen al kijken naar de miezerige regen, doet me rillen. Ach, zondag, niks hoeft. Alleen de hond, die moet uit. Als ik mijn lief verras met thee op bed, doet zij dat vast. Eenmaal buiten gaat het wel. Sjaal om, jas dicht. 

Door de de nacht sluipen asieljagers met zwarte bivakmutsen door Woerden. De sporthal met het golvende dak is hun doelwit. Op de gevel blinkt de naam in witte letters. Snellerpoort. Noodopvang? Niet in onze wijk. Geen gelukszoekers in ons sportcentrum. Ze juichten toen het spandoek boven de A12 hing. Grenzen dicht. Eigen volk eerst. 

Onze cultuur en beschaving wordt bedreigd door gelukszoekers die in wankele bootjes de Middellandse Zee oversteken, roepen de Wilders-adepten in elke openstaande microfoon. Met angst en beven wijzen ze naar Syriërs die met treinen en bussen aankomen bij de sporthallen, vakantiehuisjes en evenementenhallen waar ze tijdelijk worden ondergebracht. Ze geven hen nog voordat ze zijn gearriveerd de schuld van vechtpartijen, berovingen en verkrachtingen.

‘Juf, het is onze langste letter.’ 

Robbert stak niet eens zijn vinger op. Hij riep het gewoon. We keken naar juf Haaijer. Haar frons was dieper dan ooit. Robbert zat alweer gebogen over zijn letterschrift. Met het puntje van zijn tong uit zijn mond trok hij met zijn potlood langwerpige boogjes boven en onder de gestippelde middellijn. Een paar spuugbelletjes veegde hij met zijn mouw van zijn lippen. Juf legde haar vinger op haar mond en wees opnieuw naar de letter ‘F’ op het bord.

Zondagmiddag, buiten regen, binnen thee met koekjes. De keukentafel ligt bezaaid met leerboeken en schriften. De laptop zoemt, vingers tikken ingewikkelde berekeningen in op de grafische rekenmachine. Muziek klinkt zachtjes uit de iPodopjes. Tot voor kort zaten onze beide kinderen hier te werken. Niet te dicht bij elkaar om irritaties te vermijden. Maar ook niet te ver van de rest van het gezin en van de koekjes. Het moet wel gezellig blijven.