‘Nee, we zien het niet vaak dat een patiënt zo moet lachen, maar wees gerust, het is niet gek. De elektrode zit zo dichtbij je gevoelscentrum, het is millimeterwerk.’ Het kostte enige minuten om het niet te stuiten gelach kwijt te raken. Toen ik zei dat ik wel weer verder kon, zag ik mijn Lief in mijn ooghoek, en wist ik dat ze mij, zoals altijd, doorzag, ik zat me groot te houden; het lachen was nog niet gedaan.

Op mijn schoot lag het blauwe doosje waarin de afstandbediening van de DBS lag. Vanaf een afstand leek het of ik een nieuwe iPhone had gekocht. In mijn portemonnee zat het pasje dat ik altijd bij mij moest dragen. Die kon ik laten zien als er acute medische hulp nodig was, of bij veiligheidspoortje op een vliegveld. Onder geen beding in een magnetisch veld terechtkomen, was mij op het hart gedrukt.

Vijfduizend stukjes. Weken van sorteren op kleur en vorm, turen naar het voorbeeld, speuren naar de juiste plek. Eindelijk, het was voltooid. Vanochtend keek ik nog een keer naar de Toren van Babel. En toen pakte ik de doos en begon de stukjes erin te gooien. Klaar.

Twee dagen na het ontgipsen volgde het eerste finetune-moment. Op de ochtend van mijn eenenvijftigste verjaardag werd op mijn borst het contactpunt van de DBS geplakt. Ik vertelde wat in de paar passen van de wachtkamer naar de spreekkamer, al zichtbaar was,

Die middag, van mijn verjaardag, liep ik door de stad. Na de succesvolle bijstelling van de DBS in de ochtend, mocht ik van mijn Lief een verjaardagscadeautje uitkiezen. Met mijn nieuwe rugzak omgegord, verlieten we de outdoorshop, in de schaduw van de Martinikerk.

‘Schrijf je nog?’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Komt er nog een column?’ Ik schraapte mijn keel, maar er kwam niets. ‘Het is nou wel heel lang stil geweest.’ Stilte.